NRC Handelsblad 19/11/2013

Indië-veteraan Han Grijzenhout vertelt hoe hij onschuldige burgers doodschoot in opdracht van de inlichtingendienst van de marine op Oost-Java. Grijzenhout vindt dat Rutte bij zijn bezoek deze week aan Indonesië excuses moet aanbieden.

Tekst: Anne-Lot Hoek Fotografie: Marjolein van Pagee

‘JE SCHOOT MET Z’N ALLEN TEGELIJK’

In het album van Indiëveteraan Han Grijzenhout (85), zit een opmerkelijke, nooit eerder gepubliceerde foto: een Nederlandse tank met het opschrift ‘Lunetten’ rijdt dwars door een kamponghuis. Op een volgende foto zien we een vrolijke Grijzenhout, gekleed in traditionele sarong terwijl een Indonesische vrijheidsstrijder zijn uniform aanheeft. Het is precies de paradox waarin de gepensioneerde psycholoog zich twee jaar lang bevond als marinier bij de inlichtingendienst op Oost-Java.

Grijzenhout-04Grijzenhout-01 Grijzenhout-03
1. Dhr. Grijzenhout (detail)                                                       2. Vrijheidsstrijder Wardi               3. Een tank rijdt door een kampong-huis    

Om te overleven moest hij meevechten in een oorlog die hij al snel als onrechtmatig zag, tegen mensen waarmee hij gaandeweg ging sympathiseren. Grijzenhout voelt zich daarom misleid door de Nederlandse overheid die 135.000 militairen naar de dekolonisatieoorlog in Nederlands-Indië stuurde. Volgens de veteraan maakten Nederlandse mariniers zich op Oost-Java schuldig aan oorlogsmisdaden zoals martelingen, schieten op onschuldige burgers en het onnodig verwoesten van kampongs. Het ‘ellendige schuldgevoel’ dat hij daaraan overhield zorgt er al meer dan vijfenzestig jaar voor dat hij niet alleen durft te slapen en van tijd tot tijd last heeft van hevige angsten.

De getuigenis van Grijzenhout is volgens historici uniek, want nooit eerder kwam er zo’n openhartige getuigenis over het optreden van de inlichtingendienst van de marine op Oost-Java naar buiten (zie kader). Überhaupt is er erg weinig onderzoek gedaan naar het optreden van inlichtingendiensten tijdens de dekolonisatieoorlog. Tijdens de handelsmissie van premier Rutte aan Indonesië die morgen start komt er geen algemeen excuus: de premier is van mening dat ‘de geschiedenis loopt zoals de geschiedenis loopt’.

Grijzenhout: „Nederland moet wel degelijk zijn excuses aanbieden en de feiten openbaar maken. Wij hebben daar vreselijke dingen gedaan en mogen als Hollanders niets goed praten. Wat fout was, was fout, klaar.”

Schieten op vrouwen en kinderen

De in de Jordaan geboren en getogen Amsterdammer belandde als 19-jarige jongen bij de inlichtingendienst van de mariniers, de Veiligheids Dienst Mariniers Brigade (VDMB). De mariniers vormden een relatief kleine eenheid tijdens de oorlog met 5.000 man naast 70.000 militairen van de koninklijke landmacht en 40.000 van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger. Grijzenhout zelf was geen voorstander van deelname aan de oorlog geweest, maar zijn vader vond het geweldig dat hij „onder Majesteits wapenrok” ging dienen. Omdat hij tijdens zijn opleiding uitblonk in de lokale taal kwam hij bij de inlichtingendienst terecht, waar je gevangenen moest kunnen verhoren.

Toen Grijzenhout in de zomer van 1947 op Oost- Java landde was het gebied ten oosten van de havenstad Surabaya al in handen van de mariniers. Hun taak was vervolgens er de orde te handhaven. De VDMB hielp daarbij door het Indonesische verzet te bespioneren en gevangenen en informanten te verhoren.

Een deel van de inlichtingendienst ging daarnaast ook geregeld zelf mee op patrouille waarbij ‘vijandelijke dorpen’ werden aangevallen. „Zo’n vijandelijke kampong werd dan half omsingeld.” Grijzenhouts stem en handen beginnen te trillen en de tranen springen in zijn ogen. „En dan kreeg je de opdracht te schieten op alles wat bewoog.”Ook op vrouwen en kinderen. „Ik zie het nog zo voor me, een moeder met een kindje op haar arm die wegrende. Je wist niet wie je raakte, je schoot met z’n allen tegelijk van een afstand.” De doden bleven liggen terwijl de huizen van de kampong vaak ook nog in brand werden gezet. „Dan had je zo’n hutje van een man die bij de ‘ploppers ’ (Indonesische vrijheidsstrijders) zat, en zijn vrouw was alleen met de kindertjes achtergebleven. En dan moest je dat in de brand steken. Verschrikkelijk.” Op andere momenten werden kampongs met de grond gelijk gemaakt door tanks, zoals te zien is op de foto uit zijn album. Dan konden de mariniers het gebied beter overzien. „Als ik daar nog aan denk. Dat huis werd verwoest terwijl de ‘ploppers’ er nog inzaten.” Hij begint onrustig te ademen. „Ik wil er niets meer over horen nu . ”Daar zit het schuldgevoel waar hij ’s nachts niet van slapen kan.

Gevangenen onder stroomgezet

Al kwamen het niet dagelijks voor, hij heeft ook op onschuldige burgers geschoten en kampongs omver gereden. „Die zogenaamde extremisten, dat waren mensen die vochten voor hun vrijheid. Wij hadden in Indonesië niks meer te zoeken na de Japanse capitulatie in 1945. De grote fout die ik gemaakt heb is dat ik geen dienst geweigerd heb, ik had nooit moeten gaan, dan maar de gevangenis in!” Maar toen hij daar eenmaal zat had hij geen keus, je moest zien te overleven.

Want het ging er van Indonesische kant ook hard aan toe: Grijzenhout liep een schampschot aan zijn linkerhand op en werd in zijn borst en been geschoten.

De verhoren door de VDMB waren volgens Grijzenhout niet zachtzinnig. Hij was enige tijd bewaker in de Bubutan gevangenis in Surabaya, waar vrijheidsstrijders werden opgesloten. „Verhoren deden we meestal met z’n tweeën. Dan zat je met je bajonet op schoot en als de gevangene niet wilde antwoorden moest je hem prikken.” Hij huivert bij de herinnering. De gevangenen werden ook met stroom tot praten gedwongen. „Door de elektriciteit ging heel hun lichaam schudden.” Toch was Grijzenhout blij dat hij de gevangenen er stiekem eten kon toestoppen en met ze kon praten, naar eigen zeggen kocht hij zo zijn schuldgevoel af.

Hij raakte bevriend met vrijheidsstrijders zoals Anton Monopo en Bpak Wardi. „Ze namen mij gewoon tussen hen in en dan zongen we samen het Indonesische vrijheidslied!” Hij laat horen hoe het klonk, hij kent de tekst nog helemaal.

„Mensen die tijdens de verhoren schuldig waren bevonden door de officieren werden gefusilleerd.” Ook één van de gevangenen met wie Grijzenhout bevriend was geraakt, belandde voor het vuurpeloton. Bpak Wardi overleefde zijn verblijf in de gruwelgevangenis. Grijzenhout zocht hem later op in zijn kampong. „Dat ik daar dan werd ontvangen door zijn familie, vond ik fantastisch! Mag ik jouw geweer Tuan, vroeg hij. Dat is goed, zei ik, maar dan wil ik jouw kleding. Zo deden we die bizarre kledingruil van op de foto.’

Terug in Nederland, in 1949, belandde hij een half jaar in een psychiatrische kliniek. „Ik was onhandelbaar, werd gillend wakker ’s nachts.” Toen hij eruit kwam moest er altijd iemand bij hemslapen. Wrang is dat hij later als psycholoog mensen van trauma’s afhielp maar zelf nooit van zijn eigen trauma genas. Toen zijn vrouw laatst op reis was, sliep hij overdag en keek ’s nachts tv met alle lichten aan.„Ik heb vier medailles gekregen voor mijn zogenaamd getoonde moed. Maar ik ben sindsdien maar een bang mannetje.”

Grijzenhout-02

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
DEKOLONISATIE
’Nederland neigde ertoe inlichtingendiensten carte blanche te geven’ De onthullingen van veteraan Han Grijzenhout contrasteren met wat we al wisten van het optreden van de mariniers op Oost-Java en van hun inlichtingendienst in het bijzonder. Dick Schoonoord, die in 1988 promoveerde op het militaire optreden van de mariniers geeft in zijn proefschrift aan dat de brigade slechts twee keer in opspraak is geweest.
In de Excessennota van Cees Fasseur uit 1969 is de brigade slechts eenmaal veroordeeld voor een geweldsdelict. Fasseur laat NRC weten niet eerder van zo’n getuigenis te hebben gehoord. In de biografie van de onlangs overleden oud-marinier Giovanni Hakkenberg die voor zijn werk bij deze dienst de Willemsorde ontving, komen ook geen geweldsexcessen ter sprake. Alhoewel de sociologen Hendrix en Van Doorn al in hun Ontsporingen van Geweld uit 1970 (onlangs heruitgegeven)beschreven dat Nederlandse troepen ‘ertoe neigden inlichtingendiensten carte blanche te geven’ en dat de hoge verwachtingsdruk van bovenaf „bijna niet anders dan tot excessen kón leiden”, volgde er geen uitvoerig onderzoek en kwamen er ook geen persoonlijke verhalen naar buiten over het optreden van de geheime diensten.
Alleen oud-jurist Herman Burgers, die bij de Krijgsraad in Batavia werkzaam was onderschreef in de Volkskrant in 2011 dat er routinematig werd gemarteld door de inlichtingendiensten van de Koninklijke Landmacht. Desgevraagd zegt hij niets van de praktijken bij de marine af te weten.
Volgens Dr. Stef Scagliola, expert op het gebied van getuigenissen van veteranen over de dekolonisatieoorlog zijn er heel weinig van dit soort openhartige bekentenissen gedaan. „En over de inlichtingendienst van de marine al helemaal niet.” De historica zette in 2007 een interviewproject bij het Veteraneninstituut op waarvoor 1.000 veteranen over hun ervaringen werden geïnterviewd. Volgens Scagliola hebben veteranen naarmate ze ouder worden meer ruimte om stil te staan bij dit soort herinneringen omdat er sociaal minder op het spel staat bij het doen van zo’n onthulling. In Indonesië kennen ze de VDMB wel. Scagliola verwijst naar de website van het agentschap voor bibliotheken en archieven van de provincie Oost-Java. Daarop staat hoe door de VDMB op 20 september 1947 meerdere gearresteerde vrijheidsstrijders het slachtoffer werden van „zware martelingen” tijdens gevangenschap.
Het programma Altijd Wat van de NCRV besteedt vanavond aandacht aan het optreden van de inlichtingendiensten. Ook worden de eerste resultaten van een vandaag gelanceerde Engelstalige database over het het Nederlandse leger gepresenteerd (dutchwarcrimes.com) gepresenteerd.